Hof van Zeeland West-Brabant

10 april 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:2149

De rechtbank bepaalt dat de ouders volgens het Syrische recht gezamenlijk ouderlijk gezag hebben. En dat nu het kind in Nederland woont, de Nederlandse rechter op basis van het Nederlandse recht het enige ouderlijk gezag aan de moeder mag toekennen.

De moeder heeft verklaard dat ze na de scheiding in Syrië in 2011 met het kind in 2014 uit Syrië is gevlucht. Zij woont sinds 2015 in Nederland. Sinds 2011 is zij verantwoordelijk voor de zorg voor de minderjarige. Van de vader heeft ze sinds haar vertrek niets meer gehoord.

De vader is niet in de procedure verschenen.

De Child Care and Protection Board zei tijdens de hoorzitting dat het verzoek van de moeder gepast was. De moeder moet zelf beslissingen kunnen nemen over de minderjarige.

Hadana en Wilaya

De rechtbank vroeg advies aan het International Institute of Jurisdiction (IJI) en vroeg of er volgens het Syrische recht sprake is van gezamenlijke voogdij. De IJI zegt dat beide ouders volgens het Syrische recht een verschillende vorm van voogdij hebben.

De hadana is van de moeder. Dit betreft de dagelijkse materiële verzorging van het kind, zoals het verstrekken van kleding en voedsel, lichamelijke en geestelijke ontwikkeling, opvoeding in het geloof van de vader. In Syrië loopt de hadan tot het kind 15 jaar oud is.

De wilaya is van de vader. Dit is op het eigendom van de minderjarige en op de persoon van de minderjarige. De vader is de wettelijke vertegenwoordiger, beheert het eigendom, zorgt voor de persoon van het kind, zorgt voor de opvoeding van het kind, moet het kind altijd kunnen bezoeken en heeft meestal een beslissende stem als het gaat om het bepalen van de gewone verblijfplaats van het kind. De wilaya duurt tot het kind 18 jaar oud is.

In principe gaat deze vorm van gezamenlijk gezag door na de echtscheiding.

De rechtbank overweegt het volgende:

Artikel 16 van het Verdrag van 's-Gravenhage inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en bescherming van kinderen van 1996 is van toepassing.

Dit artikel bepaalt dat moet worden nagegaan wie na de echtscheiding in Syrië het ouderlijk gezag heeft gekregen of behouden.

Indien het ouderlijk gezag reeds van rechtswege bestond vóór 1 mei 2011 (datum van inwerkingtreding van het Verdrag van 's-Gravenhage inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en bescherming van kinderen 1996), kan het Verdrag van 1996 hier geen afbreuk aan doen (artikel 13, lid 1, van het Verdrag van 's-Gravenhage inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en bescherming van kinderen 1996).

De minderjarige is geboren voor 1 mei 2011. Of er op 1 mei 2011 al van rechtswege een gezagsverhouding bestond, moet worden onderzocht op basis van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961.

Artikel 13, lid 1, van het Verdrag van 1961 bepaalt echter dat dit verdrag van toepassing is op alle kinderen die hun gewone verblijfplaats in een lidstaat hebben. Deze minderjarige heeft in Syrië gewoond. En Syrië is geen verdragsstaat van het verdrag van 1961. Daarom moet op basis van het gewone internationale privaatrecht worden bepaald of er op 1 mei 2011 van rechtswege sprake was van voogdij en of dit ook na de echtscheiding zo is gebleven. Dit betekent dat dit volgens Syrisch recht moet worden bepaald.

De rechtbank volgt de IJI en gaat ervan uit dat volgens het Syrische recht beide ouders (nog) belast zijn met het ouderlijk gezag.

Artikel 16, lid 4, van het Verdrag van 1996 bepaalt dat de ouderlijke verantwoordelijkheid krachtens het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind na de overbrenging van die gewone verblijfplaats naar een andere staat blijft bestaan. Dit betekent dat de partijen ook na vertrek naar Nederland gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het gezag.

De rechtbank acht zich bevoegd om eenzijdig kennis te nemen van het verzoek van de vrouw om voogdij te krijgen, omdat de minderjarige nu haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is het Nederlandse recht van toepassing (art. 15 van het Verdrag van 's-Gravenhage inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en bescherming van kinderen 1996).

Reden voor toewijzing van het verzoek

Volgens de Nederlandse wet (art. 1:251a BW) kan de rechter na de echtscheiding op verzoek van de ouder het ouderlijk gezag wijzigen,

  • als er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem komt te zitten of verloren gaat tussen de ouders en er niet wordt verwacht dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal zijn,

of

  • wanneer verandering van autoriteit anders noodzakelijk is in het belang van het kind.

Er is al jaren geen contact meer geweest met de vader. Het is onmogelijk voor de vrouw om inhoud te geven aan de gezamenlijke autoriteit. De rechtbank is van mening dat de change in gezag is noodzakelijk in het belang van de minderjarige en bepaalt dat de moeder nu de enige voogdij heeft.